
In een verbrandingsmotor wordt brandstof verbrand om de lucht in de cilinders te verhitten, zodat deze uitzet. De druk die hierbij ontstaat wordt vervolgens gebruikt om bewegingsenergie op te wekken, via het zuiger-drijfstang-krukas mechaniek.
Van de energie die bij de verbranding vrij komt, wordt uiteindelijk ongeveer een derde effectief gebruikt voor de aandrijving. Nog eens een derde wordt via de uitlaat de buitenlucht in geblazen. De overige drieendertig procent wordt afgevoerd via het koelsysteem.